HomepageAlgemeenBegrippenlijst

Begrippenlijst

Baander(deuren)
Dubbele inrijdeuren die toegang geven tot de deel.

Beeldbepalend
Een pand of erf is beeldbepalend wanneer het sterk het landschap, de streek of de plek bepaalt.

Beplantingsplan
Een uitgetekend plan waarop aangegeven staat waar welke nieuwe beplanting is gepland.

Bijgebouw
Alle gebouwen die ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw.

Boerderij
Een boerderij is het hoofdgebouw van het erf waarin gewoond en gewerkt wordt. De diverse vormen van de band tussen woonhuis en bedrijfsgedeelte worden gebruikt om boerderijen te typeren: het woongedeelte zit erin, zit eraan vast of staat erbij. 

Boogstal
De boogstal bestaat uit een kolomloze, boogvormige overspanning. De bovenbouw is opgebouwd uit vakwerkliggers met windbreekgaas en foliemateriaal. Het geheel oogt transparant.

Bovenkamer
Aan een (Twentse) boerderij gebouwde woning bestemd voor ouders.

Buitenplaats
Een woonstede buiten de stad waar wonen en genieten centraal staan. Traditioneel was er daarnaast ook een huis in de stad.

Buitengoed
Een buitengoed is een relatief nieuw fenomeen van het buiten wonen zonder inkomsten uit grondexploitatie en zonder het aspect van ‘tweede’ woning. Een buitengoed is een goed dat in het buitengebied ligt en bestaat uit een ensemble van huis en tuin.

Eikengaard
‘Boomgaard’ van eikenbomen, dicht op elkaar geplant. De eiken krijgen op deze wijze mooie rechte stammen zodat ze goed te gebruiken zijn voor bijvoorbeeld planken in schuren en wagens.
Erf
Het erf is de onbebouwde grond rondom de gebouwen van het bedrijf.

Erfinrichting
De elementen waarmee een erf is ingericht, zoals soorten beplanting, type verharding of verlichting.

Erfinrichtingsplan
Een uitgetekend plan waarop aangegeven staat hoe de inrichting van het erf gepland is. Onder inrichting wordt verstaan; beplanting (siertuin, nutstuin, singels), erfverhardingen, erfscheidingen, mestplaten, kuilvoerplaten, enz.

Erfstructuur
De ordening van gebouwen, beplanting en water op een erf.

Erftransformaties
Het slopen, nieuw bouwen of hergebruiken van bebouwing op erven.

Gebint
Samenstel van een bint (balk) met twee vrijstaande stijlen en bijbehorende hoekverstijvingen.

Groninger type
Boerderij van het type ‘eraan’, waarvan het woonhuis met etage een rechte lijstgevel heeft, die Groninger boerderijen kernmerkt.

Hoofdgebouw
Het hoofdgebouw is het beeldbepalende gebouw van het erf waarin gewoond en gewerkt (op de oude erven is dit de boerderij), of alleen gewoond wordt (op nieuwe erven is dit de woning). Ook wanneer er een tweede, nieuwe woning naast de boerderij staat, blijft de boerderij het hoofdgebouw.

Hooiberg
Een hoge, vaste stapel hooi, die onder een kap op palen als wintervoorraad voor het vee wordt opgeslagen. De kap kan langs de palen op en neer worden geschoven (afhankelijk van de hoeveelheid hooi). Er bestaan twee, vier en zesstijlige hooibergen. Het aantal palen bepaalt de stijlen.

Huisterp
Een door mensen opgeworpen kleine, lage heuvel, ter bescherming tegen het water. De heuvel biedt plaats aan één boerderij. Terpen werden vanaf 700 voor Christus aangelegd.

Karakteristiek
Wanneer een pand op de gemeentelijke lijst van karakteristieke panden staat is het pand karakteristiek. Er hangen echter geen juridische consequenties aan. Het pand dient behouden dan wel hersteld te worden.

Knooperf
Het concept ‘knooperf’ is een eigentijdse oplossing voor vraagstukken om het landschap en erven te behouden. Meer mogelijkheden om te wonen en werken op erven in ruil voor investeringen in landbouw, landschap en fraaie routes. Knooperven worden ontwikkeld uit vrijkomende, middelgrote agrarische erven en borduren voort op historische erfkarakters.

Knot-/leilinde
Knot- en leilindes zorgen voor beschutting tegen de zon. Deze bomen staan dan ook dicht tegen de gevel.

Krimp
Smaller (en vaak lager) deel van het bouwvolume, meestal het woongedeelte dat smaller is dan de schuur (type ‘eraan’).

Landgoed
Een verzameling onroerend goed (terreinen en opstallen), waarbij de grondexploitatie uitgangspunt is.

Landschap
Het landschap is dat wat we om ons heen zien, het waarneembare deel van de aarde. Het landschap wordt bepaald door de onderlinge samenhang en wederzijdse beïnvloeding van de dode natuur, de levende natuur en de mens.

Ligboxenstal
Staltype waarin koeien vrij kunnen rondlopen, meestal in de zijbeuken. In de middengang (voergang) is ruimte voor de aanvoer van voer; mest wordt via een roostervloer opgevangen in mestkelders onder de zijbeuken.

Los hoes
Hallenhuisboerderij warbij woon- en bedrijfsruimte niet gescheiden zijn.

Mansardedak
Gebroken dak waarbij de dakschilden geknikt zijn en die elkaar aan de bovenzijde onder een stompe hoek in de horizontale nok snijden.

Monument
Wanneer een pand op de gemeentelijke- of rijksmonumentenlijst staat, is het een monument. Het betekent dat het pand een beschermde status geniet en dat er juridische consequenties aan verbonden zijn. Het pand dient behouden dan wel hersteld te worden.

Niendeur
Zie Baander.

Onderschoer
Inpandige portaalvormige ruimte vóór de baanderdeuren van een (Twentse) boerderij.

Opkamer
Kamer die enkele treden hoger ligt dan andere vertrekken van dezelfde bouwlaag; dikwijls ingericht boven een half in de grond gebouwde kelder.

Schilddak
Dak dat uit vier schuine vlakken (schilden) bestaat.

Serrestal
Het dak van de serrestal bestaat uit een gebogen vorm, de dakbedekking is van folie en schaduwdoek. Het geheel oogt transparant.

Stiepelteken
Symbolische decoratie op de stiepel of uitneembare middenstijl in de niendeur van een Oost-Nederlandse boerderij.

Streekeigen
Wanneer de kenmerken van boerenbedrijven (ligging in het landschap, hoofdstructuur, beplanting, bouwwijze, kleur- en materiaalgebruik, details) zich beperken tot een bepaalde streek (door bijvoorbeeld een lokale ontwikkeling of gebruik), is er sprake van streekeigen kenmerken.

Topgevel
Gevel waarvan het bovendeel een driehoekig beloop heeft ter afsluiting van het dak.

Uilenbord
Klein, driehoekig schot op de samenkomst van twee lange dakvlakken en één korte zijde, waarin zich een luchtgat bevindt. Uilen, die in de schuur nestelen, kunnen zo in en uit vliegen.

Windveer
Plank aangebracht ter bescherming van de zijrand van een rieten- of pannendak; tevens gebruikt als ‘omlijsting’ van de geveltop.

Wolfdak
Zadeldak dat aan de bovenkant aan één of beide uiteinden is afgeschuind; de afschuining zelf is het wolfseind.

Zadeldak
Dak, gevormd door twee gelijkhellende dakvlakken.